Heeft de islam behoefte aan hervorming?

Mp3 indir

Mp4 indir

HD indir

Share

Paylaş

Vraag: Sommigen stellen dat ook moslims hun godsdienst zouden moeten hervormen, zoals dat in de christelijke wereld is gebeurd. Heeft de islam behoefte aan hervorming?

Antwoord: Om te beginnen moet worden benadrukt dat er tussen de christelijke en de islamitische wereld aanzienlijke verschillen bestaan op het gebied van geloofsleer, cultuur en politiek. Daarom moeten de ontwikkelingen in beide werelden binnen hun eigen context worden beoordeeld. Het is dan ook niet juist om een ervaring uit het christendom zonder meer op de islam toe te passen.

Zoals bekend begon de Reformatie in de eerste helft van de zestiende eeuw in Duitsland en verspreidde zij zich al snel over christelijk Europa. Aan het ontstaan van de roep om hervorming lagen verschillende factoren ten grondslag. Tot de belangrijkste oorzaken behoorden de zware druk die de kerk op de samenleving uitoefende, haar strenge voorschriften en de beperkingen die zij aan de vrijheid van denken oplegde. Daarnaast leidden passages in de Bijbelteksten die als tegenstrijdig, onverenigbaar met de rede of strijdig met de wetenschappelijke ontwikkelingen werden beschouwd, tot sterke reacties. Daardoor werden nieuwe interpretaties van deze kwesties noodzakelijk.

Het volgende kan wellicht als een subjectieve beoordeling worden gezien. Toch denk ik persoonlijk dat sommige voortrekkers van de Reformatie met diepgaande geloofstwijfels worstelden en hun ongeloof mogelijk zelfs onder het mom van hervorming naar buiten brachten. Al lange tijd betwijfel ik of zij werkelijk in het christendom geloofden. Sommigen koesterden weliswaar ernstige twijfels over godsdienst en geloof, maar durfden uit angst voor excommunicatie de godsdienst niet openlijk af te wijzen. Onder de omstandigheden van die tijd hebben zij hun ongeloof mogelijk geuit in de vorm van kritiek op het katholicisme en de orthodoxie. Laten wij de ware toedracht aan God overlaten en terugkeren naar ons eigenlijke onderwerp.

Degenen die pleiten voor een hervorming van de islam lijken zich onvoldoende te realiseren wat zo’n hervorming werkelijk inhoudt en welke destructieve gevolgen die op religieus gebied kan hebben. In wezen betekent hervorming dat iets wat vervormd of aangetast is, wordt teruggebracht naar zijn oorspronkelijke vorm; dat binnen het bestaande systeem gebreken worden hersteld en verbeterd. Maar van de islam kan niet worden gezegd dat zij haar oorspronkelijke vorm heeft verloren, onvolledig is of verbetering behoeft. Als daarvan geen sprake is, valt er ook niets te hervormen.

Welke naam men er ook aan geeft, hervorming of iets anders, zodra men raakt aan de muḥkamāt (de onveranderlijke grondbeginselen) van de religie of probeert de voorschriften te veranderen die in de nuṣūṣ (de gezaghebbende openbaringsteksten) zijn vastgelegd en waarvan zowel de authenticiteit als de betekenis onomstotelijk vaststaan, wordt het wezenlijke karakter van de godsdienst aangetast. Een dergelijke opvatting van hervorming noem ik doorgaans tajaddud (vernieuwingszucht), wat niets te maken heeft met tajdīd (hernieuwing) of ijtihād (rechtsvinding). Feitelijk komt dit erop neer dat men langs geforceerde wegen iets aan de religie probeert toe te voegen of daarin veranderingen probeert aan te brengen.

Zoals deskundigen weten, zijn er binnen de islam kwesties waarvoor geen expliciete grondslag in de gezaghebbende openbaringsteksten bestaat. Zulke kwesties staan open voor interpretatie en zijn daarom overgelaten aan qiyās (redenering naar analogie) en ijtihād. Degenen die daartoe gekwalificeerd zijn, kunnen hierbij rekening houden met de omstandigheden van hun tijd, afwegingen maken en nieuwe interpretaties en rechtsopvattingen ontwikkelen. Op dezelfde wijze kunnen religieuze hernieuwers[1], al naargelang de behoeften van hun tijd, bepaalde aspecten naar voren brengen die reeds in de geest van de godsdienst besloten liggen. Ook kunnen zij nieuwe wegen en methoden ontwikkelen om de islam te beleven en te verdedigen.

Kijken we bijvoorbeeld naar de tijd waarin al-Ghazālī leefde, dan zien we dat het neoplatonisme steeds meer terrein won binnen de islamitische wereld. Tegelijkertijd brachten de denkbeelden van de Muʿtazilah[2] en de Jabriyyah[3] de soennitische geloofsleer aan het wankelen, terwijl de geloofsopvattingen van de Bāṭiniyyah[4] ingang vonden onder moslims. Daarom wijdde al-Ghazālī vrijwel al zijn intellectuele inspanningen aan de bestrijding van deze stromingen. In de werken die hij hierover schreef, weerlegde hij niet alleen de onjuiste denkbeelden die men in de godsdienst probeerde binnen te brengen, maar plaatste hij ook het islamitische denken en de soennitische geloofsleer opnieuw op een zuivere en authentieke grondslag.

Hij was, wat wetenschappelijke diepgang betreft, zo’n uitzonderlijke geest dat zijn status als hernieuwer onder de geleerden onomstreden is. Ook in de westerse wereld werden zijn werken en ideeën met veel waardering ontvangen. Zo wees de oriëntalist Sir Hamilton Alexander Rosskeen Gibb erop dat al-Ghazālī een diepgaande invloed heeft uitgeoefend op de intellectuele wereld na hem en sprak hij daar openlijk zijn bewondering voor uit.

Ook de grote hernieuwers die in de eeuwen daarna leefden, richtten zich telkens op de religieuze uitdagingen van hun eigen tijd. Zij concentreerden zich op de problemen die zich in hún generatie voordeden. Zoals strategieën, ingenomen posities en plannen voor aanval of verdediging verschillen naargelang de omstandigheden van de strijd en de positie van de tegenstander, zo bepaalden ook grootheden als al-Ghazālī, Imām Rabbānī en Bediüzzaman Said Nursi welke vorm van dienstbaarheid aan de islam hun tijd het meest nodig had. Juist deze inspanningen noemen wij tajdīd, oftewel hernieuwing. Moge God ons tot hun leerlingen maken en ons laten delen in de geestelijke inspiratie die van hen uitgaat.

Wat betreft de beweringen van sommigen dat ík een hernieuwer zou zijn: ik heb nooit de pretentie gehad dat te zijn, en zo’n aanspraak zou ik ook onmogelijk kunnen maken. Vergeleken met deze grote persoonlijkheden kan ik mij hoogstens als een Qiṭmīr[5] beschouwen. Geen moment in mijn leven heb ik gedacht dat ik ook maar één kwestie binnen de godsdienst had hernieuwd, laat staan dat ik mij met de hernieuwing van de godsdienst zou hebben beziggehouden.

Wel ben ik, op grond van de Koran, de soenna, ijmāʿ (consensus) en qiyās, en op grond van de vaststaande principes die deze grote persoonlijkheden hebben uiteengezet, tot de overtuiging gekomen dat dialoog in onze tijd noodzakelijk is. De weg naar duurzame vrede in de wereld loopt immers via dialoog. Overigens zijn ook anderen zich van die noodzaak bewust geworden en dezelfde richting ingeslagen. Daarom zou het aanmatigend zijn om deze dialooginitiatieven ‘hernieuwing’ te noemen. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat zij niets te maken hebben met vernieuwingszucht of hervorming.

Zoals eerder opgemerkt, betekent hervorming dat men ingrijpt in de wezenlijke aard van iets, de vorm ervan verandert en het in een andere mal probeert te gieten. Zelf heb ik mij daarentegen altijd ingespannen trouw te blijven aan de wijze waarop de godsdienst in de tijd van de Profeet ﷺ en in de eerste eeuwen van de islam werd begrepen, geïnterpreteerd en beleefd, van haar fundamentele beginselen tot haar praktische en afgeleide bepalingen. Om de islam zowel in haar theoretische als in haar praktische dimensie te begrijpen en te beleven, heb ik steeds de beginselen en grondslagen van de islamitische geloofsleer en de methodologie van de islamitische rechtsgeleerdheid als leidraad genomen. Verre van dat ik de religie zou willen hervormen: ik zou zonder aarzelen bereid zijn mijn leven op te offeren om te voorkomen dat ook maar één van haar aangelegenheden wordt aangetast. Het is nooit in de verste verte bij mij opgekomen de religie te hervormen. Ook ben ik ervan overtuigd dat de mensen met wie ik deze weg bewandel, deze overtuiging met heel hun hart en ziel zijn toegedaan.

De oprechte moslim die zijn godsdienst kent, zal in de voetsporen treden van de hernieuwers en rechtsgeleerden die hem zijn voorgegaan. Ook wij hebben ons, door de gunst en genade van God, steeds ingespannen om hun voorbeeld te volgen. Voor een moslim die trouw blijft aan de grondslagen van de islam is het dan ook ondenkbaar een reformistische opvatting te omarmen die de christelijke hervormingsbewegingen als voorbeeld neemt. Dergelijke neigingen komen deels voort uit onvoldoende kennis van de terminologie, deels uit een gebrek aan diepgaande vertrouwdheid met de oorspronkelijke bronnen van de godsdienst en deels uit problemen die te maken hebben met het eigen geloof.

Sommigen uiten hun weerstand en onbehagen tegenover godsdienst, geloofsbeleving en gelovigen in de vorm van een roep om hervorming. Hoewel zij worden gezien als fervente voorstanders van hervorming, zijn zij in werkelijkheid van mening dat de wetten en ordeningen die veertien eeuwen geleden zijn vastgesteld, in de wereld van vandaag hun geldigheid hebben verloren en niet langer in de behoeften van de mensheid kunnen voorzien. Volgens hen vormen de gegevens die de rede, de sociologie en de positieve wetenschappen voortbrengen de enige weg en methode die in de moderne tijd gevolgd dienen te worden. Omdat zij niet openlijk voor hun werkelijke opvattingen durven uit te komen, verhullen zij, net als de reformisten in het Westen, hun ware ideeën en verbergen zij hun bedoelingen.

Godsdienst is een goddelijke ordening die de mens, door een beroep te doen op zijn vrije wil, naar het hoogste goed leidt. Een moslim is iemand die volgens deze godsdienst leeft en haar met zijn woorden en daden probeert te belichamen; iets anders is ondenkbaar. Wie een standvastig geloof bezit, twijfelt niet aan de openbaring van God. Zo iemand is ervan overtuigd dat geen enkele letter van Gods Woord verloren is gegaan of vervalst en dat het ongeschonden tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. De Koran zelf bevestigt dat dit inderdaad zo is. Als het Boek zijn oorspronkelijke en authentieke vorm volledig heeft behouden, wat zou een hervorming ervan dan moeten herstellen? Welke bepaling zou men naar haar oorspronkelijke grondslag willen terugbrengen? En wat zou men kunnen toevoegen aan een openbaring waaraan niets ontbreekt om haar te vervolledigen?

Als wij werkelijk iets willen hervormen, zijn er in onze tijd tal van zaken die naar hun oorspronkelijke staat moeten worden teruggebracht. Dáárop zouden wij onze inspanningen moeten richten. Zo moeten wij de scheuren en leemten herstellen die in de samenleving zijn ontstaan op het gebied van geloof, de omgang met elkaar en onze moraal. Ook moeten wij de onjuistheden rechtzetten die zich als wetenschappelijk voordoen en daardoor allerlei twijfels hebben gewekt. Wat de goddelijke openbaring betreft, mogen wij nooit vergeten dat het onze grenzen te buiten gaat daarin hervormingen te willen aanbrengen.

[1]In de islamitische traditie de mujaddid, naar de hadith ‘God zendt bij het aanbreken van elke eeuw iemand die voor deze gemeenschap haar godsdienst hernieuwt’ (Abū Dāwūd, Sunan, Kitāb al-Malāḥim 1; nr. 4291).

[2]Vroege stroming die bekendstaat om haar rationalisme: de rede als maatstaf van het geloof.

[3]Stroming (van jabr, ‘dwang’) die bekendstaat om haar determinisme: God bepaalt al het menselijk handelen, de mens heeft geen eigen keuzevrijheid.

[4]Stroming (van bāṭin, ‘het verborgene’) die bekendstaat om haar esoterie.

[5]Naam van de hond van de Metgezellen van de Grot (Aṣḥāb al-Kahf), zie Koran 18:9-26. Een beeld van bescheidenheid: de hond vergezelde de rechtvaardigen zonder zelf tot hen te behoren.