Verandering of verslechtering?

Mp3 indir

Mp4 indir

HD indir

Share

Paylaş

Vraag: Soms bekruipt ons het gevoel dat de wereld om ons heen ons verandert. Hoe moet het kader voor die verandering eruitzien, nu de wereld zelf verandert?

Antwoord: Laten we om te beginnen één ding duidelijk stellen: De enige die vrij is van verandering, vergankelijkheid, tijd, ruimte, kleuren en vormen, en van elke vorm van verschillen dan ook, is God de Verhene. Ten tweede mogen we niet vergeten dat de verandering die zowel in onze fysieke gesteldheid als in onze gedachtenwereld plaatsvindt, is een van de grote werkelijkheden van het bestaan. Ons leven begint met de bevruchting van een eicel door een zaadcel en neemt vervolgens, door een lange reeks van veranderingen en omwentelingen, zijn uiteindelijke gestalte aan. Dit proces eindigt niet bij de geboorte; ook daarna gaan de veranderingen in onze lichamelijke bouw en in onze geestelijke en intellectuele wereld gewoon door. De cultuur waarin we opgroeien en de atmosfeer waarin we leven, vormen en kleuren onze gevoelens en gedachten.

Bovendien is verandering niet iets dat uitsluitend de mens aangaat; het is levenseigen, en voltrekt zich door de gehele schepping. De aarde is voortdurend het toneel van ontstaan en vergaan. Dingen veranderen gaandeweg van gedaante en van aard.

Vaste grond en veranderende tijden

Maar het is duidelijk dat de verandering waarop de vraag doelt, meer betrekking heeft op onze overtuigingen en waarden dan op deze natuurlijke en onvermijdelijke veranderingen. Als moslims hebben we bepaalde wezenlijke geloofsbeginselen aanvaard. Er zijn verplichtingen die we als gelovigen dienen na te komen. De onomstotelijke voorschriften van de Koran en de Sunnah, onze primaire referentiebronnen, vormen onze vaste grondslag. Welnu, als er sprake is van verandering op juist díe gebieden, dient dat ter discussie te worden gesteld. Als we vandaag de dag anders zijn gaan denken of ons anders zijn gaan gedragen ten aanzien van de beginselen inzake geloof en handelen die we gisteren nog aanvaardden, dan kunnen we dat ‘verandering’ noemen, ‘transformatie’ noemen of er een andere naam aan geven. In werkelijkheid is dit verval; het is degeneratie.

Op dit punt is een grondige evaluatie nodig. God geeft aan in deze edele vers فَمَنْ يَكْفُرْ بِالطَّاغُوتِ وَيُؤْمِنْ بِاللّٰهِ فَقَدِ اسْتَمْسَكَ بِالْعُرْوَةِ الْوُثْقٰى لَا انْفِصَامَ لَهَا “wie alles verwerpt wat buiten God als godheid wordt aangenomen en in God gelooft, heeft zich inderdaad vastgeklampt aan een sterk, onbreekbaar handvat.”[1] Als we God als onze beschermer hebben aanvaard en we ons stevig vastklampen aan Zijn onbreekbare touw, dan zullen onze gevoelens en gedachten met betrekking tot onze religie en vroomheid niet veranderen, ongeacht de omgeving waarin we leven. Leven we vanuit dit besef, dan zijn we ervan overtuigd dat we, al dalen we af in diepe wateren, niet zullen verdrinken, en al worden we in het vuur geworpen, niet zullen verbranden.

Men mag ook niet uit het oog verliezen dat bepaalde passages uit de Koran en de Sunnah voor meerdere interpretaties vatbaar kunnen zijn. Bevoegde geleerden kunnen, rekening houdend met de omstandigheden van hun tijd, over de voor interpretatie vatbare bepalingen van de godsdienst komen tot nieuwe rechtsafleiding (istinbāṭ) en eigen rechtsvinding (ijtihād) Of zij kunnen kiezen voor een van de bestaande interpretaties. Daarom kunnen zich, afhankelijk van veranderende tijdsomstandigheden, in sommige niet-fundamentele religieuze kwesties bepaalde verschillen en veranderingen voordoen.

Evenzo kan de zwaarte van de omstandigheden ertoe nopen bepaalde dispensaties te benutten of te handelen volgens de bepalingen die bij noodzaak gelden. Daarbij mag echter niet worden vergeten dat dit een tijdelijke situatie is; dat zaken die normaal gesproken ongeoorloofd zijn, slechts toegestaan worden voor zover de noodzaak dat vereist; en dat het bepalen van die grens niet afhangt van begeerten en grillen, maar van geloof, intentie en het oordeel van het geweten. Als iemand gebruikmaakt van religieuze dispensaties op een plaats waar hij dat niet behoort te doen, maakt hij daar misbruik van en is hij daarvoor verantwoordelijk tegenover God.

Bij het bepalen wanneer een dispensatie of noodzaak aan de orde is, is het gewetensoordeel weliswaar van groot belang, maar mag overleg nooit worden verwaarloosd. Begeerten en grillen kunnen zich er immers in mengen. Zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat, kunnen we ons laten meeslepen door fantasieën, ons bezighouden met nutteloze bezigheden en zelfs ongemerkt in zonden verzeild raken. In dat geval brengt de mens zichzelf met eigen handen in gevaar. Anderen echter – met name mensen met een sterke band met God, die kwesties veelzijdig en omvattend kunnen benaderen – kunnen tot objectievere beoordelingen over ons komen. Wanneer we daarom ons gewetensoordeel ondersteunen met collectief bewustzijn en toetsen aan de overwegingen van anderen, neemt de kans op vergissingen af en ontstaat de mogelijkheid om juistere keuzes te maken.

Daarbij verdient het bijzondere nadruk dat het ons past de weg van strikte naleving te bewandelen. Daarom streven wij ernaar om in persoonlijke aangelegenheden zo veel mogelijk volgens de onverkorte norm te handelen. Tegelijkertijd weten we ook dat gemak en verlichting tot de beginselen van de godsdienst behoren, en daarom dringen wij deze weg aan niemand als verplichting op.

Aanpassen zonder de kern te verliezen

Men kan niet zeggen dat verandering in absolute zin ‘goed’ of ‘slecht’ is. Het oordeel over verandering kan verschillen naargelang de intenties, maar ook van situatie tot situatie en van houding tot houding. Elke verandering die neerkomt op een afwijking van onze grondbeginselen, is voor ons echter afkeurenswaardig en niet goed te keuren. Een verandering die ons verwijdert van Gods welbehagen, die ons doet vervreemden van het ideaal om Gods Woord te verheffen (iʿlāʾ kalimatillāh)[2], die wonden slaat in onze wereld van hart en geest, of die indruist tegen ons waardenstelsel, kan onder geen beding worden aanvaard. Ons geloof en onze geloofspraktijk zijn ons even dierbaar als het leven zelf; elke aantasting daarvan is een dolk in het hart die blijft schrijnen.

Een verandering die ons in staat stelt onze tijd goed te begrijpen en daarmee gelijke tred te houden, moet voor ons als een noodzaak worden gezien. Zo bestonden er tot voor kort noch internet noch sociale media. In een wereld waarin anderen deze mogelijkheden inzetten ten dienste van hun eigen gedachtewereld, is het ondenkbaar dat wij ons volledig afzijdig houden van zulke terreinen. Hetzelfde geldt voor mensen die leven vanuit een verheven levensideaal. Dat zij rekening houden met de culturele leefwereld van de groepen tot wie zij zich richten, en zich aanpassen aan de omgeving waarin zij verkeren zolang dit niet indruist tegen onze grondbeginselen, is een vanzelfsprekend vereiste van de taak die zij vervullen.

Zoals Rumi het verwoordt: terwijl één van onze voeten stevig in het middelpunt blijft staan, moet de andere rondgaan onder de tweeënzeventig volkeren. Terwijl ons hart klopt voor God, moeten wij proberen diezelfde geestdrift ook in andere harten te wekken en zeggen: “Waarom zouden anderen de geestelijke vreugden die wij ervaren en proeven niet ook ervaren en proeven? Waarom zouden anderen daarvan verstoken blijven terwijl wij de vreugde van het dienen van God smaken? Waarom zouden anderen niet in deze weg mogen delen, terwijl wij de weg naar het eeuwige paradijs bewandelen?”

Reddingswerk en zuivere intentie

Juist in een tijd waarin zonden als een stortvloed de wereld overspoelen, kan er op de broekspijpen van iemand die zich aan zo’n heilige taak heeft gewijd af en toe modder opspatten van het soort dat valt onder een algemeen verbreide, moeilijk te vermijden toestand (ʿumūm al-balwā)[3]. Zoals iemand die zijn leven in de waagschaal stelt om een vriend te redden die in een moeras is weggezakt, kan ook hij genoodzaakt zijn bepaalde offers te dragen. Want wanneer het erom gaat mensen het eeuwige geluk te laten verwerven of hen van ondergang te redden, is het verdragen van sommige ongewenste zaken op zichzelf al een belangrijk offer.

We moeten niet elke verandering bij voorbaat negatief beoordelen. Eerst moet worden nagegaan of zulke veranderingen in strijd zijn met onze fundamentele waarden; daarna met welke intentie en met welk doel men zo’n verandering aangaat. Hoezeer wij de kwestie ook op deze manier benaderen, wie niet leeft met het verlangen anderen te redden, zal moeilijk kunnen begrijpen dat er mensen zijn die, als brandweerlieden met de spuit in de hand, zich naar laaiende branden haasten om die te blussen.

Als we ons zorgen maken over verandering, moeten we ons eerst naar onze innerlijke wereld wenden en naar ons hart kijken. Zijn we wel in staat om bij alles wat we doen Gods welbehagen boven alles te stellen? Klopt ons hart steeds vanuit het ideaal om Gods Woord te verheffen? Achten wij groot wat God groot acht, en tonen wij de eerbied die het heilige toekomt? Vervloeken wij de weg die wij bewandelen wanneer wij op Gods weg met moeilijkheden en ontberingen worden geconfronteerd? Is er in ons ook maar het geringste spoor van spijt vanwege ons moslim-zijn? Kunnen wij Gods beschikkingen altijd met geduld en tevredenheid tegemoet treden? Kijken wij met verlangen naar het weelderige leven van mensen die opgaan in het wereldse?

Als ons hart tegenover al deze vragen zijn koers bewaart, is er geen reden tot al te grote bezorgdheid; dat is immers het duidelijkste bewijs dat we in wezen niet in negatieve zin zijn veranderd.

[1]Koran, 2:256.

[2]Ontleend aan Koran 9:40, waarin God zelf verklaart dat “het woord van God het hoogste is”. Deze uitdrukking draagt de betekenis van het zichtbaar maken en hooghouden van Gods Woord in het eigen leven en in de samenleving.

[3]Beginsel uit de rechtsleer dat ruimte biedt voor verruiming wanneer strikte toepassing bezwaarlijk wordt. Het is gegrond in Koranverzen over gemak, zoals 2:185, en in overleveringen als: “Maak het gemakkelijk en maak het niet moeilijk” (al-Bukhārī, 69; Muslim, 1734).