İçindekiler
Vraag: Kunnen we spreken van het gevaar dat ons denken en onze intenties vandaag de dag verwereldlijken, dat wil zeggen: dat ons verstand niet langer wordt gevormd door de fundamentele beginselen van het geloof, maar door de normen en neigingen van de tijd? Wat zijn de tekenen en gevolgen van zo’n gevaar?
Antwoord: De vraag raakt een belangrijk probleem van de hedendaagse moslims. Helaas zijn we opgegroeid zonder gidsen die ons naar het rechte pad konden leiden en licht konden werpen op de stappen die wij zetten. Wij hebben onze maatstaven en grondbeginselen voor het leven niet geput uit de leiding van een Verheven Wezen dat alles ziet en alles weet. Daardoor konden we gebeurtenissen niet in hun samenhang bezien; oorzaak en gevolg niet goed onderscheiden; ons heden niet verbinden met onze morgen, noch onze morgen met de dagen die daarin besloten liggen; en ons leven uiteindelijk niet volgens een groter plan inrichten. Over het algemeen overheerste de gedachte om van dag tot dag te leven. We hebben onze focus op vandaag gefixeerd en de toekomst uit het oog verloren. Ons denken werd aards, onze horizon vernauwde zich. Het is voor iemand die niet op een goddelijke bron steunt dan ook moeilijk om gebeurtenissen vanuit een alomvattend perspectief te wegen, zich te bevrijden uit de gevangenis van het materiële en zijn leven volgens een macroplan in te richten.
De mens is geen louter materieel wezen dat enkel uit lichamelijkheid bestaat. Hij heeft een hart en een geest; en hij bezit verschillende innerlijke diepten, zoals sirr, khafı̄, akhfā en laṭı̄fa rabbāniyya. Zoals het materiële bestaan van de mens is opgebouwd uit talrijke in elkaar grijpende structuren en systemen, zo is ook zijn geestelijke structuur samengesteld uit van elkaar verschillende mechanismen. Het Wezen dat de mens in al zijn innerlijke en uiterlijke aspecten heeft geschapen, is ook Degene die hem het beste kent. Een evenwichtig en vredig leven is dus alleen mogelijk wanneer de mens zich richt naar Diens leiding. Wordt die leiding genegeerd, en bekijkt men de mens vanuit een beperkte invalshoek, namelijk alleen vanuit zijn materiële kant, dan worden bepaalde aspecten van hem als het ware verlamd. Het is alsof iemand een orgaan behandelt zonder rekening te houden met de gehele anatomie: hoe deskundig en geleerd die behandelaar ook is, bij een ingreep die het geheel niet in het oog houdt, zijn allerlei complicaties onvermijdelijk.
Verdiepen in het innerlijke
Vandaag de dag zoeken we alles in de buitenwereld, terwijl er in onszelf een wereld is die zo enorm is en erop wacht om ontdekt te worden! De volgende dichtregels van Ibrahim Hakkı wijzen op deze waarheid: Ik paste niet in hemel noch aarde; in de mijn des harten vond men Mijn verborgen waarde.
Inderdaad, noch aarde noch hemel kan God omvatten; Hij is verheven boven plaats. En toch is het hart van de mens de plaats waar de kennis van Hem en de liefde tot Hem tot openbaring komen. Zoals deze dichtregels ook aangeven, is het innerlijke buitengewoon belangrijk en leerrijk. De waarheden die de mens bereikt in zijn eigen ladunniyyāt[1] – kennis vanuit Gods nabijheid – en in zijn innerlijke diepten, kan hij in het uiterlijke niet altijd in die mate bereiken. Wie zich in zijn eigen binnenste weet te verdiepen, wordt begenadigd met zoveel goddelijke ingevingen (wāridāt) en Godskennis (maʿrifa) die hij buiten zichzelf, al doorzocht hij hemel en aarde, niet zo zou zien, lezen of horen. Wie het innerlijke niet juist weet af te lezen, kan in het uiterlijke wegzakken in het moeras van het positivisme en het naturalisme. Wanneer de mens eerst zijn innerlijke goed afleest, zijn overdenking daar laat beginnen en zich vandaaruit naar het uiterlijke wendt, zet hij zijn stappen steviger, bewandelt hij zijn wegen bewuster en bereikt hij belangrijke waarheden over de kennis van God. Maar dit alles staat of valt met het deelhebben aan goddelijke ingevingen en het putten uit de zoete bron waaraan dorstigen zich laven (manhal al-ʿadhb al-mawrūd[2]). Wie niet uit de bron van openbaring put, kan zijn eigen wezen niet juist lezen en vindt in zijn binnenste niet waar hij steun en toevlucht kan zoeken.
Aangezien ons tegenwoordig in naam van de wetenschap meestal naturalistische opvattingen worden voorgeschoteld, kluisteren ook wij de mens aan het aardse vast en veroordelen we hem tot een bekrompen kader door hem uitsluitend vanuit zijn lichamelijkheid te benaderen. Omdat wij zijn grootgebracht binnen het materialistische en seculiere denkklimaat van de moderne wereld, en ook onze scholen onderwijsprogramma’s volgen die daaruit voortkomen, worden ons denken en onze ideeën daardoor beïnvloed, of wij ons daarvan bewust zijn of niet. Onze maatstaven voor het duiden van de mens, het bestaan en de kosmos veranderen. De mens is namelijk een kind van het milieu waarin hij opgroeit: wat hij thuis, op straat, op school en in het gebedshuis ziet, maakt hij zich meestal eigen. Omdat mensen tegenwoordig in de omgevingen waarin zij verkeren geen enkele melodie meer horen die spreekt van het leven van hart en ziel, raakt hun gevoels- en denkwereld aangetast; zo raken zij op heel andere wegen verzeild.
Het verwereldlijken van rechtsvinding
De cultuur waarin wij leven kleurt alles op haar eigen wijze: van onze opvatting van het Goddelijke Wezen tot onze blik op de engelen, van onze manier om het geloof te verstaan tot ons geestelijk leven. Zelfs het hemelse maken wij aards. De teksten van de Koran en Sunnah leggen wij uit binnen de mallen die het culturele milieu ons aanreikt, soms zelfs opdringt. Hoewel alles wat de Koran en Sunnah zeggen waarheid is, vervormen onze interpretaties en opvattingen de kwesties in hun eigen kleur en patroon. Wij nemen niet de betekenissen ter harte die wij behoren te begrijpen, maar eigenen ons toe wat ons bevalt of wat wij in ons voordeel achten. In plaats van vanuit het woord van de Verhevene Zijn welbehagen te willen begrijpen, laten wij de Koran zeggen wat ons goed uitkomt. Door onze eigen wereldse kijk maken we de diepgang van de Koran oppervlakkig en maken we hem gelijk aan onszelf. Aan de basis van de uitleg van sommige theologen, een uitleg die niet te verzoenen valt met de geest van het geloof, liggen precies dit soort neigingen. Sterker nog: deze vervlakking en bekrompenheid weerspiegelen zich vaak zelfs in de vertalingen die we van Koranverzen geven. En niet alleen de Koran, ook het boek der schepping persen wij door het in hetzelfde benauwde kader op te sluiten.
Hiermee hebben wij een observatie van Bediüzzaman uit zijn Verhandeling over Ijtihād wellicht in een wat algemener kader gebracht. Zoals bekend stelt hij daar dat de religie zelf hemels van aard is, evenals de eigen rechtsvinding (ijtihād) die de voorschriften aan het licht brengt die in haar bronnen besloten liggen. Vervolgens noemt hij een aantal oorzaken en legt hij uit hoe de rechtsvinding van onze tijd afstand heeft genomen van haar hemelse karakter en een aards karakter heeft gekregen. Een van die oorzaken verwoordt hij als volgt: “De blik van deze tijd is in de eerste plaats en bij uitstek gericht op het wereldse geluk en richt haar voorschriften daarop. De blik van de sharia daarentegen is in de eerste plaats en bij uitstek gericht op het geluk in het hiernamaals, en pas in tweede instantie – omdat het een middel is om het hiernamaals te bereiken – op het geluk in deze wereld. Dat betekent dat de blik van deze tijd vreemd is aan de geest van de sharia. Daarom kan er geen rechtsvinding in naam van de sharia worden verricht.”
We kunnen niet anders dan Bediüzzaman hierin gelijk geven. De geleerden van de vroege generaties stelden inderdaad voorop dat zij Gods verheven bedoeling (al-murād al-subḥānī) wilden begrijpen. Dag en nacht hield het hen bezig en vroegen ze zich af: “Ik begrijp dit uit deze vers, maar wat zou de ware Goddelijke bedoeling zijn?” Voortdurend bewogen zij zich in de diepten van de Koran en Sunnah en zochten ze naar de betekenissen die daarin verborgen lagen. Hun eigenlijke doel was Gods woord juist te begrijpen en Zijn welbehagen te verkrijgen.
In onze tijd echter krijgen wereldse zorgen de overhand. De gedachten van veel mensen worden beheerst door de vraag: “Hoe kunnen wij een welvarender leven leiden?” Men beweegt zich in wereldse zaken, men denkt in wereldse termen, en zelfs religieuze kwesties worden gekoppeld aan wereldse beslommeringen. Zoals zojuist gezegd: we vormen ook het geloof naar ons eigen beeld en verwijderen het zo van de Goddelijke bedoeling. Alles wordt geduid naar persoonlijk belang, wereldse voordelen, aanzien en toekomstperspectief, en uit de religieuze teksten probeert men daarbij passende oordelen af te leiden, of men hangt er op zijn minst geforceerde verbanden aan op. Zelfs in de preken en vermaningen in de moskeeën stuit men op zulke gezochte duidingen.
Onopgemerkte vervreemding
Mensen groeien zonder het te beseffen op onder invloed van de ideeën die in hun omgeving op de markt worden gebracht en aangeprezen, en gaan er zelf naar verlangen. Hun intenties en doelen worden daarop afgestemd. Vandaag de dag zie je dat gelovigen en wereldsgezinden hetzelfde denken en over dezelfde dingen praten. Omdat moslims zich niet kunnen losmaken uit het keurslijf waarin de culturele omgeving waarin ze zijn opgegroeid hen klemt, leiden ze een leven dat gebonden is aan hun ego en aan de wereld. In plaats van hun korte leven en hun schaarse levenskapitaal te gebruiken om het paradijs te bereiken door ruimdenkend te zijn en hun streven hoog te houden, verspillen ze deze binnen de bekrompen kaders van het lichamelijke, het materiële en de wereld. Doordat ze geen verheven intenties, doelen en gedachten weten te vinden die passen bij hun eigen, eigenlijke wereld, troosten ze zichzelf met kleinigheden en laten ze zich daardoor misleiden. Ze raken vervreemd van verheven idealen als leven om anderen te doen leven, en de eigen verlossing verbinden aan het redden van anderen.
Het gevaarlijkste van dit alles is dat men zich van die vervreemding niet bewust wordt. Wanneer men zich bewust wordt van de waarden die verloren zijn gegaan, zal men op zijn minst een streven en een inspanning aan de dag leggen om ze terug te vinden. Maar wanneer iemand zich niet bewust is van de toestand waarin hij verkeert, of, erger nog, zich daarvan wél bewust is maar er niet door verontrust wordt, dan valt van hem geen wil tot zoeken en vinden te verwachten. Je zou deze toestand kunnen vergelijken met die van een kuiken in een ei. Stel dat je het op een of andere manier kon zeggen: “Waarom zit je hier opgekruld, met je kop tussen je vleugels? Buiten ligt een wijde, ruime wereld!” Als het kuiken kon lachen, zou het om je woorden lachen, en je misschien zelfs voor dwaas uitmaken. Want voor hem bestaat er geen mooiere plek dan waar hij zit. Net zo lastig is het om aan de mensen van vandaag, die vastzitten tussen de nauwe kaders van het materiële, de verruimende sferen van hart en geest duidelijk te maken.
Om mensen te bevrijden uit de gevangenschap van een dergelijke bekrompenheid is een grondige rehabilitatie nodig. Men kan hun bijvoorbeeld voorbeelden voorhouden uit de tijden waarin de islam in zijn zuiverste vorm werd geleefd, en hen aansporen die voorbeelden tot rolmodel te nemen. Met ideale voorbeelden uit de generatie van de metgezellen of uit latere perioden kan de mens van vandaag uit de bekrompenheid waarin hij vastzit worden gehaald, en kan zijn horizon worden verruimd. Dit kunnen we bewerkstelligen door in elke kring waarin we samenkomen onderwerpen te bespreken die bij onze eigen belevingswereld horen, en de bronnen die ons eigen zijn diepgaand eigen te maken.
Welnu, we moeten onze denkwereld opnieuw onder de loep nemen en helemaal opnieuw opbouwen. Het is namelijk erg moeilijk om onze eigen rijkdom en diepgang tot uiting te brengen met de heersende filosofie van onze tijd of de moderne wetenschappelijke visie. Met Romeinse genialiteit, met het hellenistische denken, met de Griekse filosofie of met christelijke beschouwingen komen wij niet waar we willen zijn; ook is het niet mogelijk om die met onze eigen gedachtewereld te versmelten. Het is als water bij olie: hoezeer je ook je best doet, ze gaan niet in elkaar op. Hun chemische samenstelling en structuur zijn nu eenmaal verschillend. Vanzelfsprekend valt er uit elke denkrichting en elke cultuur iets te leren. Maar wat werkelijk telt, is dat wij de zaak vanaf de wortel aanpakken, onze eigen gedachtewereld weten op te bouwen en het bestaan vanuit dat perspectief opnieuw weten te duiden.
[1]Ontleend aan Koran 18:65, waar God Khidr “kennis vanuit Onze nabijheid” (ʿilman min ladunnā) onderwijst. Een vorm van kennis die niet door studie verworven wordt, maar rechtstreeks vanuit Gods nabijheid in het hart wordt ingegeven.
[2]Manhal al-ʿadhb al-mawrūd: letterlijk “de zoete drinkplaats waarheen men komt”. Een uitdrukking voor zuivere geestelijke bronnen, vooral de Koran, de Sunnah en de Profeet ﷺ zelf. Bekend als titel van een hadith-commentaar op Sunan Abī Dāwūd van Maḥmūd Khaṭṭāb al-Subkī (gest. 1933).
