Vraag: Onze Üstad[1] zegt dat alomvattende dankbaarheid (kullı̄ shukr) vervuld kan worden door middel van een alomvattende intentie (kullı̄ niyya). Kunt u dit toelichten?
Antwoord: Zoals de Godsgezant ﷺ onder woorden heeft gebracht, ontlenen daden hun waarde aan de intenties die erachter liggen. Sterker nog: de leemtes die iemand in zijn dienstbaarheid aan God met zijn daden niet kan vullen, vult hij aan met zijn intentie. Wat een mens de eeuwige paradijselijke tuinen zal opleveren, zijn dan ook niet zozeer zijn daden maar zijn vastberadenheid, inspanning, toewending, streven en de doelgerichtheid van het hart op de weg van God.
Als God ons slechts zou belonen naar de maat van onze daden, zouden wij niet eens rust vinden in het graf, laat staan de dat we de hemelse gunsten, het aanschouwen van God (ruʾyatullāh), het Goddelijke welbehagen (riḍwān) en de eeuwige gelukzaligheid zouden vinden. Zelfs onze dankbaarheid voor wereldse gunsten zouden wij met onze daden niet naar behoren kunnen betuigen. Al zouden wij ons hele leven in sujūd[2] en in smeekbede tot God doorbrengen, dan nog zouden wij de gunsten waarmee wij begunstigd zijn nooit kunnen vergelden. Zoals in de Gulistān staat: de mens is God bij elke ademtocht tweemaal dank verschuldigd, want zowel bij het in- als het uitademen ontvangt hij leven. Wij zijn dan ook niet in staat om zelfs de dank voor elke ademtocht in volledigheid te voldoen. Wat ons de eeuwige paradijselijke tuinen zal doen binnengaan, is daarom niet het kleine beetje aanbidding dat wij in een kortstondig leven verrichten, maar onze allesomvattende intentie (kullı̄ niyya).
Een gelovige gedraagt zich altijd nederig tegenover de overvloedige gunsten die hij ontvangt en streeft ernaar een leven te leiden dat doordrongen is van dankbaarheid. Vanuit zijn geloofsovertuiging benadert hij zijn eigen dienaarschap met het bewustzijn: “Mijn God, U bent de Absolute Aanbedene; dienaarschap is dan ook Uw recht. Als Uw dienaar is aanbidden mijn plicht. Al kan ik U niet aanbidden zoals U toekomt, ik zal niet ophouden U te dienen zolang U mij het leven gunt. Al liet U mij nog miljoenen jaren leven, ik zal niet wijken van Uw drempel en in ootmoedige dienaarschap mijn leven doorbrengen.” Zo slaagt hij erin zijn leven door te brengen zonder te bezwijken voor de ondankbaarheid waartoe de duivel hem probeert te verleiden.
De alomvattende intentie vult de leemtes die onze daden achterlaten en opent voor ons de weg naar het eeuwige geluk. Zo gaan de door de dienaar verrichte aanbiddingen gelden als de krachtigste referentie voor wat hij nadien nog voornemens is te doen.
De wijze waarop God de alomvattende intentie van de mens beantwoordt – God weet het het beste – is dan als volgt: “Mijn dienaar, je bent trouw aan je woord. Want telkens wanneer je de gelegenheid kreeg, heb je de voorgeschreven godsdienstige plichten vervuld. Het is duidelijk: als je meer levensjaren had gekregen, zou je ook de aanbidding die je je had voorgenomen daadwerkelijk hebben verricht. Daarom aanvaard Ik wat je wilde doen maar niet kon volbrengen, alsof je het volbracht hebt.”
Dankzij onze alomvattende intentie doen wij één ding, God schenkt ons een miljoen voor terug, en zo maakt Hij ons waardig voor de eeuwige gelukzaligheid.
Bovendien kunnen we door onze alomvattende intentie ook beloningen verdienen voor datgene wat wij nastreefden maar niet hebben kunnen bereiken. Zo is bijvoorbeeld het doel van werkelijk mens-zijn het bereiken van de uiterste horizon van de Volmaakte Mens (al-insān al-kāmil). We hebben die intentie, maar misschien schiet onze aanleg tekort of zijn de omstandigheden er niet naar. We kunnen ergens op de weg naar die horizon vastlopen. God aanvaardt echter de moeite en de inspanning die we op die weg hebben geleverd, naar de maat van de oprechtheid van onze intentie; Hij kan ons de beloning schenken van het doel dat we voor ogen hadden en de lege vakjes in het boek van onze goede daden vullen met Zijn genade.
Op dezelfde manier: stel dat u zich voorneemt dat de verheven naam van de Profeet Mohammed ﷺ overal ter wereld zijn vleugels zal uitslaan, en dat u zich naar vermogen inspant om dit doel te verwezenlijken. Dan aanvaardt God deze alomvattende intentie, en waar u ook staat op weg naar dat doel, Hij beantwoordt u naar uw intentie en schenkt u daarnaar beloning
Een ander zet zich in om alle harten te vullen met mededogen, alle conflicten op aarde te voorkomen, oorlogen te beëindigen en een sfeer van verdraagzaamheid en dialoog overal te bevorderen. Hij zet de stappen die daarvoor nodig zijn, naar de maat van zijn krachten en mogelijkheden. En God vult met Zijn oneindige macht de kloof tussen de intentie en de daden van Zijn dienaar.
Het is de moeite waard nogmaals te benadrukken dat de waarde die deze algemene intentie in de ogen van Allah heeft, afhangt van het feit of wij onze verantwoordelijkheden nakomen en ons uiterste best doen. Of het nu gaat om de intentie te groeien tot de volmaakte mens, of om het verheffen van Gods Woord (iʿlāʾ kalimatillāh)[3], of om welk ander doel dan ook dat de godsdienst ons ook aanreikt op de weg naar Gods welbehagen: wij dienen steeds op dat doel gericht te zijn, er dag en nacht aan te denken en er onophoudelijk naar te streven. Onze daden zijn in zekere zin het fundament waarop onze intenties gebouwd zullen worden. Misschien is wat wij presteren, afgemeten aan wat er werkelijk van ons gevraagd wordt, niet meer dan een druppel. Toch moeten wij die druppel bijdragen, opdat God ter wille van onze alomvattende intentie die druppel tot een oceaan maakt en onze stofdeeltjes tot zonnen.
Dan de alomvattende dankbaarheid (kullı̄ shukr): de wezenlijke voorwaarde om die te kunnen betonen, is dat wij ons bewust worden van de ontelbare gunsten die God ons heeft geschonken. Allereerst heeft God ons uit het niets genomen en op het toneel van het bestaan doen verschijnen; Hij heeft ons niet alleen tot bestaan gebracht, maar ons ook geëerd met de gunst van het leven. Vervolgens heeft Hij ons niet op het niveau van de dieren gelaten, maar ons de gunst van het mens-zijn geschonken. Bovendien heeft Hij ons opgenomen in de gouden kring rond de Trots der Mensheid ﷺ en ons gemaakt tot gelovigen, geroepen om te groeien tot de volmaakte mens. In deze eindtijd, waarin het juk is neergelegd, heeft Hij ons ook vereerd met de taak de godsdienst uit te dragen. Bovenop dit alles heeft God nog talloze andere gunsten en gaven aan ons geschonken.
Al bezat de mens de sterrenstelsels, dan nog zou hij niet in staat zijn één van deze gunsten te kunnen kopen. Stel u verkocht de Melkwegstelsel, zou dat voldoende zijn om de gunst van het geloof mee te kopen? Het geloof, dat God de mens heeft geschonken, is zo een grote gunst dat het als een kiem is die de paradijzen in haar boezem koestert. Zal het paradijs als een boom uitgroeien, dan groeit het uit deze kiem.
Wie al deze gunsten beseft, begrijpt dat hij een alomvattende dankbaarheid verschuldigd is, waaraan men onmogelijk recht kan doen. Want elke gunst vraagt om dank. In de Edele Koran worden de gelovigen tot dankbaarheid aangespoord met de woorden وَاشْكُرُوا لِي وَلَا تَكْفُرُونِ “en wees Mij dankbaar en wees niet ondankbaar tegenover Mij.”[4]
Onze wassing, ons gebed, ons vasten, onze zakāt en al onze overige aanbiddingen zijn op zichzelf al vormen van dankbaarheid. Maar Gods gunsten zijn zo talrijk dat onze daden tekortschieten als dank ervoor. Hem volwaardig danken, Hem loven zoals het Hem toekomt: dat is onmogelijk.
Al met al hangt het volbrengen van de dankbaarheid voor Gods gunsten af van de reikwijdte van onze intenties. Al vervullen onze daden maar één duizendste aan dankbaarheid, de rest vullen wij aan met onze intenties. Of beter gezegd: God ziet naar onze vastberadenheid, onze inspanning, onze ijver en onze alomvattende intentie om die hele dankbaarheid te volbrengen, en zal met Zijn genade de leemtes vullen. Als gelovigen zullen wij de gunsten die ons zijn geschonken zien en deze beantwoorden met aanbidding (ʿibāda), gedenking (dhikr), overdenking (fikr), lofprijzing (ḥamd) en dankbaarheid (shukr); bij elke herinnering eraan zullen wij met hart, tong en heel ons zijn alḥamdulillāh (alle lof zij aan God) zeggen. En waar onze lof en dankbaarheid tekortschieten, zal God, zo Hij het wil, op grond van onze intentie en oprechtheid die tekorten aanvullen.
Intentie verandert de aard van alles: zij geeft daden een eigen diepte, maakt het aardse hemels en voegt zelfs aan de menselijke, aardse dimensie een goddelijke kleur en betekenis toe. Waar het werkelijk op aankomt, is dat de mens zichzelf aan God kan verbinden, zich kan wijden aan een verheven zaak en goed kan bepalen wat hij voorop stelt en wat hij naar de achtergrond schuift. Wie zich bewust is dat zijn wezenlijke taak toewijding aan God is, en waar hij ook staat met profetische vastberadenheid recht doet aan wat die plaats van hem vraagt: diens ene daad zal God ongetwijfeld tot duizend maken.
[1]Turks voor “leermeester”. Een eretitel waarmee de auteur verwijst naar Bediüzzaman Said Nursî (1877–1960), wiens denken zijn werk diepgaand heeft gevormd.
[2]Neerwerping met het voorhoofd op de grond, o.a. onderdeel van het dagelijks gebed.
[3]Ontleend aan Koran 9:40, waarin God zelf verklaart dat “het woord van God het hoogste is”. Deze uitdrukking draagt de betekenis van het zichtbaar maken en hooghouden van Gods Woord in het eigen leven en in de samenleving.
[4]Koran 2:152.
