İçindekiler
Vraag: Aan het slot van zijn Verhandeling over de Oprechtheid zegt Bediüzzaman: “Wij smeken God, de Barmhartigste der Barmhartigen – en voeren daarbij al Zijn Schone Namen[1] als voorspraak aan – dat Hij ons doet slagen in volmaakte oprechtheid (ikhlāṣ).”[2] Wat is de wijsheid erachter dat hij daarbij de Schone Namen als voorspraak aanvoert?
Antwoord: Zoals bekend houdt oprechtheid (ikhlāṣ) in dat men zijn daden uitsluitend verricht omdat God het geboden heeft, en dat men daarbij enkel Zijn welbehagen nastreeft – zonder zijn zinnen te zetten op wereldse voordelen of op de beloningen in het hiernamaals. Toewijding aan God is immers geen tegenprestatie voor nog te ontvangen gunsten, maar een dankbetuiging voor de gunsten die ons reeds geschonken zijn.
Toch is er, wanneer we de kwestie vanuit behoefte of noodzaak bekijken, geen bezwaar tegen het verlangen naar de gaven van het hiernamaals. Al binden wij onze aanbidding niet aan wat het hiernamaals te bieden heeft, en dienen wij God niet om die gaven te verkrijgen, het staat vast dat wij er ten diepste behoefte aan hebben. Zoals wij in dit aardse leven de behoefte hebben om in God te geloven, Hem te leren kennen, Hem lief te hebben, ons aan Hem te hechten en op Hem te vertrouwen – zo behoeven wij in het volgende leven te behoren tot hen die Hij dicht bij Zich houdt. Wij weten dat het paradijs de enige plek is waar wij Hem nabij kunnen zijn, Zijn aangezicht mogen aanschouwen en omhelsd zullen worden met وَرِضْوَانٌ مِنَ اللّٰهِ اَكْبَرُ, “Gods welbehagen is het allergrootste”[3]. Daarom verwachten en vragen wij het paradijs en de gaven aldaar uit Zijn gunst. Want zonder Hem kunnen wij niet leven – en zonder het paradijs evenmin.
Gods Namen aanroepen in smeekbeden
Oprechtheid (ikhlāṣ) staat voor het werkelijk kennen van God, het nastreven van Zijn welbehagen en het eerbiedigen van Zijn geboden. Juist daarom is oprechtheid voor iedere gelovige van het allergrootste belang. En precies hier ligt de wijsheid van het feit dat Bediüzzaman, wanneer hij God om oprechtheid smeekt, Zijn Namen als voorspraak aanvoert. Want wanneer wij in onze smeekbeden datgene vragen wat ons het dierbaarst is, voeren wij als voorspraak eveneens aan wat ons het dierbaarst is.
Een voorbeeld: een van de smeekbeden die ik veelvuldig uitspreek, luidt:
اَللّٰهُمَّ أَعْلِ كَلِمَةَ اللّٰهِ وَكَلِمَةَ الْحَقِّ وَدِينَ الْإِسْلَامِ فيِ كُلِّ أَنْحَاءِ الْعَالَمِ وَفِي كُلِّ نَوَاحِي الْحَيَاةِ، وَاشْرَحْ صُدُورَنَا وَصُدُورَ عِبَادِكَ فيِ كُلِّ أَنْحَاءِ الْعَالَمِ وَفِي كُلِّ نَوَاحِي الْحَيَاةِ إِلَى الْإِيمَانِ وَالإِسْلاَمِ وَالْإِحْسَانِ وَالْقُرْاٰنِ
“O God! Verhef Uw godsdienst, die in Zichzelf verheven is, ook vandaag opnieuw in elke uithoek van de wereld en op elk vlak van het leven. Laat de waarheid doorklinken in alle harten. Open onze harten en de harten van al Uw dienaren, overal ter wereld en op elk vlak van het leven, voor geloof, voor de islam, voor het besef dat U ons ziet (iḥsān) en voor de Koran!”
Omdat deze smeekbede mij zo dierbaar is, zoek ik voor de aanvaarding ervan mijn toevlucht in de krachtigste voorspraak die er is:
بِحَقِّ ذَاتِكَ وَ بِحَقِّ صِفَاتِكَ وَبِحَقِّ أَسْمَائِكَ الْحُسْنٰى وَبِحَقِّ وَحُرْمَةِ اسْمِكَ الْأَعْظَمِ وَبِحُرْمَةِ وَشَفَاعَةِ سَيِّدِنَا مُحَمَّدٍ الْمُصْطَفٰى صَلَّى اللّٰهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ
“Dit alles vraag ik U – omwille van Uw Wezen, omwille van Uw verheven eigenschappen, omwille van Uw Schone Namen, omwille van Uw Grootste Naam, en uit eerbied voor de voorspraak die onze leider Muḥammad al-Muṣṭafā ﷺ bij U geniet.”
Precies zo is oprechtheid voor een gelovige een zaak van levensbelang. Daarom voert Bediüzzaman al Gods Schone Namen als voorspraak aan om die oprechtheid te mogen ontvangen. Zijn uitspraken zijn dan ook van bijzonder belang, omdat ze het gewicht van oprechtheid weerspiegelen.
Overigens moedigt ook de Koran ons aan om Gods Namen een plaats te geven in onze smeekbeden en ze als voorspraak in te roepen. Een vers luidt: وَلِلّٰهِ الْاَسْمَاءُ الْحُسْنٰى فَادْعُوهُ بِهَا “Aan God behoren de Schone Namen, dus roep en bid Hem daarmee aan.”[4] De goddelijke Namen dragen dus een krachtig geheim van toewijding aan God in zich. Wij dienen dat te erkennen en in onze smeekbeden onze toevlucht bij hen te zoeken. Zoals bekend wordt ook in de Djewsjen gezegd: “Ik vraag U omwille van deze Namen” – waarna de goddelijke Namen worden opgesomd en op grond daarvan om verlossing uit het hellevuur wordt gesmeekt.
Bediüzzamans nadruk op oprechtheid
Bediüzzaman heeft in zijn werken bij uiteenlopende gelegenheden voortdurend de nadruk gelegd op oprechtheid (ikhlāṣ) en het belang ervan met krachtige bewoordingen onderstreept. Hij stelde dat een greintje oprecht verrichte daad zwaarder weegt dan een overvloed aan daden zonder oprechtheid. Ondanks dat het aantal mensen om hem heen in getal klein waren, was het succes dat zij voortbrachten groot. Dit alles schreef hij toe aan hun oprechtheid. Bij het verwoorden van deze waarheid zegt hij: “Als God het wil, zullen jullie slagen in volmaakte oprechtheid – en mij daarin meenemen.”[5]
Met deze woorden legde Bediüzzaman zowel zijn eigen bescheidenheid aan de dag als zijn waardering voor zijn broeders, en gaf hij tegelijk de nodige waarschuwing. Want hoe oprecht iemand ook is, het is niet eenvoudig om volmaakte oprechtheid te bereiken. Dat vereist immers dat er in de verrichte daden ook niet de geringste bijbedoeling sluipt. Het vereist dat men alles buiten God – al het vergankelijke (mā siwā) – bewust van zich afhoudt en zich volledig op Hem richt. Bovendien kan eenmaal verworven oprechtheid gemakkelijk en ongemerkt weer verloren gaan. Zelfs wie hier uiterst waakzaam voor is, kan moeilijk beweren de “volmaakte oprechtheid” (ikhlāṣ al-tāmm) of de “meest volmaakte oprechtheid” (ikhlāṣ al-atamm) te hebben bereikt. Het is een stip aan de horizon – een doel dat uiterst moeilijk te bereiken valt. Om daar te geraken moet men menige zware hindernis overwinnen en zich losmaken van de banden van het lichamelijke en materiële. Zulk een oprechtheid is een eigenschap die uitsluitend toekomt aan de uitverkorenen die mukhlası̄n worden genoemd – zij die door God Zelf tot oprechtheid zijn gebracht.
Bediüzzaman was een indrukwekkende persoonlijkheid die de gebeurtenissen om zich heen zeer goed interpreteerde, er voortdurend lessen uit trok en waar nodig zijn waarschuwingen liet horen. Hij deelde eens de volgende ervaring. Toen hij tegen zijn leerling Ḥāfiẓ ʿAlı̄ zei dat het handschrift van een andere vriend mooier was dan het zijne en dat die daardoor meer van dienst zou zijn, gaf Ḥāfiẓ ʿAlı̄ met volmaakte oprechtheid en toewijding te kennen dat hij dit op prijs stelde en trots was op zijn broeder.[6]
Dit voorbeeld laat ons zien dat oprechtheid ook nauw verbonden is met broederschap en onderlinge verbondenheid. Wie wil weten in hoeverre hij oprecht is in zijn dienst op Gods weg, kan zichzelf de vraag stellen: “Zou ik, als ik met zo’n situatie werd geconfronteerd, op dezelfde manier hebben gereageerd?” Moge God ook ons de genade schenken om onszelf zo te kunnen wegcijferen, om een levende band met onze Heer te onderhouden en om waarachtig oprecht te zijn.
De springplank van oprechtheid
Als wij, net als Bediüzzaman, onze omgeving aandachtig beschouwen, komen wij tal van helden van oprechtheid tegen wier hart klopt voor God. Wij bewonderen hen en streven ernaar om te worden zoals zij. Neem bijvoorbeeld de vrienden die begin jaren ’90 de wijde wereld introkken: hun inzet kwam bij mij altijd als buitengewoon zuiver over. Zonder aan salaris te denken, zonder zelfs maar de landen te kennen waarheen zij gingen, ondernamen zij hun uittocht. Hun houding wekte ook in ons enthousiasme, bracht ons tot leven en deed ons bij onszelf te rade gaan. Hoe zeer wij God ook danken dat Hij ons de vreugde heeft geschonken te midden van zo veel toegewijde mensen te mogen zijn – het is nooit genoeg. Zonder zulke toegewijde en oprechte mensen in deze kring zou al dit moois nooit tot stand zijn gekomen. De vruchten die uit deze dienst voortkomen, zijn dan ook extra gunsten die God schenkt als antwoord op oprechte inspanning.
Als oprechtheid de belangrijkste eigenschap is die God van ons vraagt, en als zij de springplank is die ons in één beweging opheft naar Zijn welbehagen – dan dient zij ook ons hoogste streven te zijn. Wij dienen God voortdurend om oprechtheid te vragen. In het bijzonder door ‘s nachts op te staan, ons nachtgebed te verrichten en vervolgens ons voorhoofd op het gebedskleed te vlijen met de woorden: اَللّٰهُمَّ اجْعَلْنَا مِنْ عِبَادِكَ الْمُخْلِصِينَ الْمُخْلَصِينَ “O God, maak ons tot Uw dienaren die oprechtheid nastreven én tot hen die tot oprechtheid gebracht zijn!”
In al onze daden dienen wij oprechtheid te zoeken en ons hele leven in het teken te stellen van de meest volmaakte oprechtheid (ikhlāṣ al-atamm). In onze smeekbeden richten wij ons tot God voor onze zaken, onze gezondheid en ons gezin. Daar is niets op tegen, maar niets van dit alles kan in belang tippen aan het verwerven van oprechtheid, van Gods welbehagen en van het kennen van de Schepper. Wij dienen dus minstens evenveel smeekbeden uit te spreken om die geestelijke gaven als om onze aardse wensen.
Bovendien mogen wij niet vergeten dat oprechtheid onlosmakelijk verbonden is met geloof. Hoe sterker het geloof, hoe dieper de oprechtheid. Daarom dienen wij allereerst in God te geloven met een zekerheid die verder reikt dan wiskundig bewijs; naar de maat van ons geloof inzicht (maʿrifa) te verwerven; en naar de maat van dat inzicht een krachtige band met Hem te smeden. Wie de meest volmaakte oprechtheid wil bereiken, dient zijn geloof te verheffen van het niveau van kenniszekerheid (ʿilm al-yaqı̄n) naar dat van ooggetuige-zekerheid (ʿayn al-yaqı̄n) en vervolgens naar het niveau van doorleefde zekerheid (ḥaqq al-yaqı̄n). Wanneer het geloof ons hele wezen doordringt en wij dicht bij God blijven, kan noch de duivel, noch het bevelende ego (al-nafs al-ammāra) onze oprechtheid breken.
Zeker, zoals alle mooie dingen moeilijk te verkrijgen zijn, is ook oprechtheid niet makkelijk te verkrijgen. Maar de wegen die ernaartoe leiden zijn echter niet afgesloten, maar open. Door geloof, inzicht, liefde, bezinning en smeekbeden is het mogelijk haar te bereiken.
[1]Bediüzzaman, Lem’alar, p. 208 (Eenentwintigste Lem’a – Verhandeling over de Oprechtheid).
[2]Koran 9:72.
[3]Koran 9:72.
[4]Koran 7:180.
[5]Bediüzzaman, Lem’alar, p. 203 (Eenentwintigste Lem’a – Verhandeling over de Oprechtheid, Derde Grondbeginsel).
[6]Bediüzzaman, Barla Lāḥiqa, p. 146.
