De werkelijkheid van de dood

Mp3 indir

Mp4 indir

HD indir

Share

Paylaş

Vraag: Tegenwoordig denken mensen onvoldoende na over de dood en het leven na de dood. Zelfs als zij er wel over nadenken, trekken ze daar niet de nodige lessen en leringen uit. Wat raadt u ons aan op dit gebied?

Antwoord: Wanneer mensen vroeger samenkwamen, stonden zij stil bij onderwerpen die hen dichter bij God brachten en voerden ze daar het gesprek over. Het  onderwerp van de dood stond daarbij voorop. Degenen die leefden met het oog op het hiernamaals, herinnerden elkaar aan de dood en moedigden elkaar aan om zich voor te bereiden op het eeuwige leven. Vandaag de dag zijn de blikken op de wereld gericht, staan wereldse belangen en behoeften voorop en is het hiernamaals uit beeld geraakt. Omgevingen die mensen uitnodigen tot onderwerpen die met God te maken hebben worden schaarser, terwijl de aanleidingen tot wereldse begeerten en slechte invloeden zich blijven opstapelen. Bezinning en ingetogenheid hebben plaatsgemaakt voor lichtzinnigheid en een op vermaak gericht leven. Wanneer mensen samenkomen, weten zij hun gesprekken niet meer te kleuren en te verlevendigen met het gesprek over de Geliefde.[1]

Ook de moderne wetenschap slaagt er helaas niet in mensen een ziel bij te brengen of hun geloof te versterken; sterker nog, zij kan de mens nog brutaler maken en ontsporen. Wanneer de bevindingen van de wetenschap niet worden geladen met betekenissen die onze blik op God richten en niet vanuit een juist perspectief worden bezien, kan dit de mensheid meesleuren in onachtzaamheid en dwaling.

De ondoordringbare sluier van onachtzaamheid

Wat ik hier zeg, geldt niet alleen voor de aardsgezinden. Helaas is zelfs onder degenen die in de moskee bidden en op bedevaart gaan het aantal mensen met een sterke band met God niet groot. Het sluier van onachtzaamheid is in onze tijd zo ondoordringbaar geworden dat wij de weg naar God nauwelijks nog kunnen vinden. In tijden waarin het geloof diepgaand werd beleefd, volstond een eenvoudige vermaning van een vertrouwd persoon om mensen wakker te schudden. Bij het horen van woorden over de dood en het hiernamaals huiverden mensen onmiddellijk en kwamen zij tot zichzelf. Een enkel woord ten goede was al voldoende om hen te richten op de horizon van Gods nabijheid.

Wanneer ik terugdenk aan mijn kindertijd, zie ik mensen voor me die hun gebeden enorm serieus namen, met tranen in hun ogen. In die tijd heerste niet de lichtzinnigheid en onverschilligheid jegens het geloof die we vandaag kennen; mensen waren niet zo bevuild met de smetten van zonden. Gevoelens en gedachten waren zuiverder, harten helderder. Spirituele onderwerpen deden mensen hun hart sneller kloppen. De dood was voor hen dan ook een machtige vermaner.

De mens van vandaag beschikt op het gebied van het geloof over veel meer kennis dan zijn voorgangers. Ook zijn kennis van het boek der schepping is veel uitgebreider. Toch is hij ver verwijderd van wat zij zagen en van wat zij voelden. Overal leggen geleerden het geloof uit, worden in moskeeën preken en toespraken gehouden, religieuze bijeenkomsten georganiseerd en op bijzondere dagen programma’s opgezet – maar van beroering in de harten is nauwelijks sprake. Niet alleen ontbreekt het ons aan een solide verantwoordelijkheidsbesef, ook het ontzag voor het verschijnen voor Gods aangezicht is verdwenen. Persoonlijk kan ik zeggen dat ik tot dusver geen mens heb meegemaakt wiens hart zowat tot stilstand kwam  door het besef van hoe zwaar de uiteindelijke verantwoording zal zijn. De mens van vandaag laat zich helaas misleiden door dit kortstondige, vergankelijke leven en leeft in diepe onachtzaamheid als het gaat om de voorbereiding op de dood en het leven erna.

Twee middelen die het hart levend houden

Gezien deze situatie moeten wij onszelf allereerst vernieuwen en ontvankelijker worden voor geloofszaken. Geleerden wijzen op twee belangrijke middelen om het hart levend te houden. Het eerste is het gebieden van het goede en het weerhouden van het kwade (al-amr bi-l-maʿrūf wa-l-nahy ʿan al-munkar)[2]. Het tweede is het behandelen van onderwerpen die te maken hebben met de verfijning van het hart (raqāʾiq), waarbij het gedenken van de dood voorop staat.

Inderdaad, bij elke gelegenheid moet het goede worden verkondigd en moeten mensen ertoe worden opgeroepen. Maar deze oproep is alleen doeltreffend wanneer zij wordt gedaan door mensen met een geloof in God dat zelfs wiskundige zekerheid te boven gaat, die vanuit de taal van het hart tot mensen spreken en die zelf doen wat zij zeggen. De woorden van iemand die zegt “ik vertel over God” maar in werkelijkheid aandacht zoekt, die luxe en vertoon najaagt, die met zijn kennis op posities aast of zichzelf in de etalage zet – zulke woorden vinden geen weerklank in de harten. Wie anderen het goede gebiedt maar het zelf niet in praktijk brengt, wie beweert anderen van het kwade te weerhouden maar er zelf in volhardt, kan nooit overtuigend zijn. Mensen van wie het hart is gestorven en de bezieling is gedoofd, die zich niet werkelijk bekommeren om de zaak van de islam – zij moeten eerst zichzelf in twijfel trekken en hun eigen ziel ter verantwoording roepen, voordat zij anderen de les lezen.

Het is daarom vooropgesteld noodzakelijk dat verstandige, aan de dienst van het geloof toegewijde geleerden en raadgevers worden gevormd en opgeleid. Een zaak van zo groot belang als opvoeding en geestelijke vorming kan niet worden toevertrouwd aan onbekwame mensen. Wie ons wil leren lopen, moet zelf eerst stevig op zijn benen staan en kunnen lopen. Als een inzicht dat ons ter ore komt niet eerst ons eigen hart sneller doet kloppen – hoe kan het dan anderen raken? Als wij op de voorgrond treden zonder er zelf door geraakt te zijn, kunnen we beter helemaal niet komen opdagen. Het heeft geen zin om datgene wat wij niet ons eigen hebben gemaakt, niet hebben verinnerlijkt en niet hebben doorgrond, aan anderen te verkondigen en zo onszelf ook nog eens tot leugenaars te maken.

Gezamenlijke studie

Ook het gezamenlijk bestuderen van werken die geloofskwesties op overtuigende wijze behandelen, zoals de Risale-i Nur, is in dit kader een belangrijke manier. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, kwamen mensen samen in huizen of in de kamers van een han[3]; zij lazen werken over geloof en godsdienst als Durrat al-wāʿiẓīn, Tanbīh al-ghāfilīn, Pendnâme, Muḥammadiyya en de Tadhkira.[4] Mensen luisterden met een onbevangen hart naar wat er werd voorgelezen, geloofden wat zij hoorden en werden er diep door geraakt. Zo begon het hiernamaals door te schemeren en groeide in hun hart het verlangen naar de ontmoeting met God.

Mijn wijlen tante begon tegen het einde van haar leven zo’n intens verlangen naar het hiernamaals te voelen… Toen zij vanwege een ziekte in het ziekenhuis was opgenomen, smeekte zij mij bijna: “Hodjaefendi, haal me alsjeblieft weg uit het ziekenhuis. Ik wil deze wereld niet meer, want ik verlang naar de overzijde.” Aan haar houding en uitstraling was duidelijk te zien hoe oprecht zij deze woorden meende. Een andere kennis van mij sprak zó over de dood dat je zou denken dat sterven voor hem niets anders was dan opstaan en uit de ene kamer naar de andere lopen. Het graf ingaan, het vergaan van zijn lichaam tot aarde, het begin van het leven in het tussenrijk (barzakh)[5] – niets daarvan joeg hem schrik aan. Want zij geloofden met een onwankelbaar geloof in God en de Dag des Oordeels. Hun geloof was zo zuiver en helder dat het lezen van enkele boeken over de verfijning van het hart (raqāʾiq) hun al volstond.

Tegenwoordig zijn de geesten zozeer op een dwaalspoor gebracht dat zulke teksten de mensen niet meer in dezelfde mate raken. Wetenschappen die niet geworteld zijn in het fundament van de goddelijke eenheid (tawḥīd) en die vanuit geen enkele invalshoek een verbinding met God weten te vinden, kunnen de mens juist van God verwijderen. Al zou men de mensen niet de Tadhkira van al-Qurṭubī maar zijn complete tafsīr (korancommentaar) laten lezen – dan noch zouden zij geen profijt hebben bij de kennis en wijsheid die erin besloten ligt. Je zou dit een verlies van vermogen en aanleg kunnen noemen – de innerlijke antenne is afgestompt.

Wil je raad? De dood volstaat

Een belangrijk kenmerk van de werken over de verfijning van het hart is dat zij de dood en het leven na de dood van alle kanten belichten. Deze werken ontvouwen de werelden van het hiernamaals in al hun fasen en leggen de anatomie van het leven na de dood bloot voor het menselijk begrip. Zij stellen de mens het werkelijke thuis waarnaar hij zal verhuizen voor, en beschrijven de gebeurtenissen die hij daar zal tegenkomen; zo helpen zij hem het evenwicht te bewaren tussen deze wereld en het hiernamaals. Een mens die zich bewust is van de vragen die hem in het hiernamaals zullen worden gesteld, de daden waarvoor hij rekenschap zal moeten afleggen en de moeilijkheden die hij zal tegenkomen, klampt zich niet vast aan deze wereld, hecht zijn hart er niet aan en laat zich door haar niet misleiden. Helaas worden zelfs aan theologische faculteiten deze onderwerpen niet behandeld met de aandacht en het gewicht dat zij verdienen. Daarom ontbreekt het aan bezielde mensen die zich wijden aan de herleving van onze verheven godsdienst.

De mens is een reiziger. Vanuit de wereld der zielen komt hij naar de moederschoot, vandaar doorloopt hij de kindertijd, de jeugd, de volwassenheid en de ouderdom, om ten slotte over te gaan naar het graf. Daarna passeert hij het tussenrijk (barzakh), de verzamelplaats (maḥshar) en de Ṣirāṭbrug[6], en bereikt hij het land waar hij voor eeuwig zal verblijven – naargelang zijn daden wordt dit het paradijs of – God verhoede – de hel. Het aardse leven is in deze eeuwige reis dus niets meer dan een tussenhalte. Met de dood begint het hoofdstuk waarin rekenschap wordt afgelegd over het geleefde leven. Wie de dood, het graf, het tussenrijk, de Ṣirāṭbrug, de weegschaal, het paradijs en de hel gedenkt en tóch niet in zijn hart geraakt wordt, doet er goed aan zichzelf eens grondig onder de loep te nemen.

Elk van de beelden die behoren tot de rijken van de dood en het hiernamaals maakt diepe indruk op harten die nog niet zijn gestorven; zij zetten de mens aan tot zelfbevraging en zelfrekenschap en maken het wereldse geneugten bitter. Als het ene tafereel dat de Koran en de Sunnah over het hiernamaals schilderen ons niet tot onszelf brengt, dan doet het andere dat; als het ene niet volstaat om onze onachtzaamheid te doorbreken, dan volstaat het andere. Is het denkbaar dat iemand wegzinkt in onachtzaamheid terwijl die weet en van harte gelooft dat hem ofwel een eeuwige gelukzaligheid ofwel een eeuwig verlies wacht? De Koran en de Sunnah beschrijven de afrekening die ons na de dood wacht en de gebeurtenissen waarmee wij zullen worden geconfronteerd op zulk een heldere, duidelijke en gedetailleerde wijze dat het onmogelijk is er niet door geraakt te worden. Zelfs de scènes van de Büyük Buluşma[7] die wij op televisieschermen zagen, waren al voldoende om ons hart in de keel te doen kloppen en onze ogen met tranen te vullen – voldoende om ons tot bezinning te brengen en ons te doen vernieuwen. En dat was nog hooguit een schaduw van de werkelijkheden die in het hiernamaals beleefd zullen worden. Zo is het ook met de onderwerpen over de verfijning van het hart die de dood en het hiernamaals behandelen: als het ene wat wij lezen ons niet raakt, dan raakt het andere ons ongetwijfeld.

Zoals bekend beveelt de Godsgezant ﷺ ons met de volgende woorden aan om begraafplaatsen te bezoeken: “Bezoek de graven, want het bezoeken van graven verbreekt de band met deze wereld en herinnert aan het hiernamaals.”[8] Van metgezellen als ʿUthmān (moge God tevreden met hem zijn) wordt overgeleverd dat zij bij het bezoeken van begraafplaatsen hartverscheurend huilden.[9] Begraafplaatsen maakten diepe indruk op hen; zij huiverden onder het gewicht van de komende afrekening. Helaas zijn de harten in onze tijd zo verhard dat noch overlijdensberichten, noch bezoeken aan begraafplaatsen ons nog diep raken. Ik kan zeggen dat ik tot dusver maar weinig mensen ben tegengekomen die bij een bezoek aan de begraafplaats in diepe overpeinzing verzonken over hun eigen lot en zichzelf ter verantwoording riepen.

Zoals Bediüzzaman aangeeft, zijn met name gezondheid en jeugd twee grote gunsten en tegelijk oorzaken die mensen tot onachtzaamheid verleiden.[10] Gezonde mensen raken zo in de greep van het verlangen naar een lang leven en de waan van onsterfelijkheid dat zij de dood altijd op afstand van zichzelf houden. Zij leven alsof zij nooit zullen sterven, jagen eindeloze dromen over de toekomst na en proberen met alles wat zij doen nog meer genot uit deze wereld te persen. Zelfs achter daden die zij uiterlijk in naam van het geloof verrichten, kan het verlangen naar bevrediging van het ego schuilgaan. Zo kan iemand die de waarheid aan anderen verkondigt wél putten uit de horizon van kennis en inzicht, maar wat hem daaruit toevloeit tegelijkertijd gebruiken om zijn eigen aanzien in stand te houden. Zelfs in de meest barmhartig ogende daden kunnen, als een virus, egoïstische en duivelse gevoelens huizen. Wanneer zij niet op de juiste waarde worden geschat, kunnen grote gaven als gezondheid en jeugd verworden tot bronnen van zelfmisleiding.

Als er dan iets is dat een halt kan toeroepen aan deze wereldse genoegens, dan is het wel het gedenken van de dood. Dat de Profeet ﷺ zei: “Gedenkt veelvuldig de dood, die alle genoegens verwoest en verbittert”[11], is bedoeld om de gelovigen tegenover deze werkelijkheid waakzaam te houden. Want wie de dood vandaag niet veelvuldig gedenkt, maakt morgen zijn vreugde bitter. Een oprechte gelovige dient altijd voorbereid te zijn op de dood en er zelfs naar uit te zien als de ontmoeting met zijn Heer. Zoals een dienstplichtige die eindelijk mag afzwaaien, moet hij de wereld met vreugde en opluchting kunnen verlaten wanneer zijn tijd gekomen is. Daarvoor moet hij allereerst zijn hart bevrijden van het verlangen naar een lang leven en de waan van onsterfelijkheid, en zich op de dood voorbereiden. Zijn verblijf in deze wereld moet hij verbinden aan een verheven doel, en denken: “Zolang ik nog kan bijdragen en dienen, is het de moeite waard om nog wat langer te leven.”

[1] het gesprek over de Geliefde (sohbet-i canan) wordt gezien als leidraad voor elk samenzijn: elk gesprek wordt uiteindelijk teruggeleid naar God en Zijn Boodschapper.

[2] Een van de kernplichten van de gelovigen volgens de Koran; zie o.a. 3:104, 3:110 en  9:71.

[3] Ottomaans logeer- en ontmoetingsgebouw, waarvan de kamers ook als informele studieruimte dienden.

[4] Respectievelijk van Hopalı Osman Efendi, Abū’l-Layth al-Samarqandī, Seyyid Ahmed Mürşid Efendi, Yazıcıoğlu Mehmed Efendi en Imam al-Qurṭubī.

[5] Dimensie na de dood waarin de ziel verblijft in afwachting van de wederopstanding.

[6] Brug die over de hel is gespannen en moet worden overgestoken om het paradijs te bereiken.

[7] Büyük Buluşma (De Grote Ontmoeting, 2004–2008): TV serie waarin overledenen direct na hun dood rekenschap afleggen van hun leven.

[8] Tirmidhī, janāʾiz 60; Abū Dāwūd, janāʾiz 75, 77; Ibn Māja, janāʾiz 47.

[9] Tirmidhī, zuhd 5; Ibn Māja, zuhd 32; Aḥmad ibn Ḥanbal, al-Musnad 1/503.

[10] Bediüzzaman Said Nursi, Sözler (De Woorden), Risale-i Nur Collectie.

[11] Tirmidhī, qiyāma 26; Nasāʾī, janāʾiz 3; Ibn Māja, zuhd 31.