İçindekiler
Als de druk, de onderdrukking, het onrecht en de meedogenloze aanvallen die wij ondergaan ertoe leiden dat wij ons met heel ons wezen tot God wenden, dan zijn wij – hoe het ook moge lijken – in werkelijkheid aan de winnende hand. Wat hebben winst en verlies in dit korte aardse bestaan immers te betekenen in vergelijking met het eeuwige leven!
Soms lijkt het hiernamaals ons heel ver weg. En toch: van zo velen die gisteren nog in ons midden waren, die ons omringden, is vandaag geen spoor meer te bekennen. Zij vertoeven nu in dat oord dat ons zo veraf lijkt. Op een dag zullen ook wij ons bij hen voegen. Een andere vorm van onachtzaamheid waarin wij vervallen, is dat wij ons aardse leven als oneindig beschouwen. De Koran vertelt ons echter dat wij, wanneer ons in het hiernamaals wordt gevraagd hoe lang wij op aarde verbleven, zullen antwoorden: “Een dag, nee, niet eens een volle dag – nog minder!”[1]
Wanneer wij onze ogen openen voor een tijdloos rijk, zullen wij zien hoe het leven dat wij in deze wereld hebben geleefd alsmaar kleiner wordt in onze ogen. Niet alleen wij zullen dit zien, ook de tirannen die zich in de wereld storten alsof zij er eeuwig zullen blijven en zich eraan vastklampen alsof zij haar verafgoden. Wanneer zij beseffen hoe nietig de wereld is in vergelijking met het hiernamaals, zullen zij zo verteerd worden door spijt en wanhoop dat jullie wellicht medelijden met hen krijgen.[2] De tirannen die duizenden gezinnen verwoestten, die kinderen uit de armen van hun moeders rukten, die zich vergrepen aan het bezit van mensen, aan hun leven, aan hun eer… Wanneer jullie hen daar zien kermen van spijt, bekruipt zelfs jullie het medelijden. Daarom is het van groot belang het hiernamaals als schuldeiser te betreden. Waar het werkelijk om gaat, is dat wij ons niet laten verblinden door tijdelijke successen en verworvenheden in deze wereld, maar stappen zetten die het eeuwige leven veiligstellen en een standvastige houding innemen.
Ziya Paşa[3] verwoordt dit mooi:
Trouw past de mens, hoe zwaar het lot hem ook beproeft.
Wie oprecht leeft, vindt God wanneer hij Hem behoeft.
Door de druk die wij ondergaan, kunnen wij het zwaar krijgen, kunnen wij benauwd raken. Door toedoen van tirannen die vastgeklampt zijn aan de wereld, kunnen wij door een mangel worden gehaald, onder pletwalsen worden vermorzeld, het slachtoffer worden van laster en blootgesteld worden aan onrecht. De wijde wereld kan ons nauw worden. Maar als wij dit alles met geduld en Godsvertrouwen (tawakkul) het hoofd kunnen bieden, dan zijn wij op weg naar de overwinning. Over profeet Ayyūb (vrede zij met hem) zegt God: “Hij was in Onze ogen waarlijk iemand die standvastig volhield” en prijst hem direct daarna met de woorden نِعْمَ الْعَبْدُ “Wat een voortreffelijke dienaar was hij!”[4]
Het was dankzij zijn geduld en volharding tegenover allerlei beproevingen dat hij deze eervolle getuigenis ontving. Als ook wij Gods waardering willen verwerven, dan moeten we ernaar streven een toonbeeld van geduld te zijn, zoals profeet Ayyūb.
Beloningen naar de maat van de beproeving
Daarbij mag niet vergeten worden: hoe groter de beproevingen die men doorstaat, des te groter de beloning die men zal oogsten. Niet voor niets luidt het gezegde: بِقَدْرِ الْكَدِّ تُكْتَسَبُ الْمَعَالِي “Naar de maat van de inspanning verwerft men verheven rangen.”[5]
Hoe meer ontberingen jullie doorstaan, hoe meer spitsroeden jullie lopen, des te meer bereiken jullie bij God rangen die alle rangen overtreffen .
De inspanningen van profeet Noach (vrede zij met hem) om zijn volk jarenlang de waarheid te verkondigen, werden telkens beantwoord met spot en hoon – maar aan het einde van de rit was hij het die standhield.[6] Daarom wordt deze gezegende profeet herinnerd als Najiyyullāh, “de door God geredde”.[7] Nadat profeet Abraham (vrede zij met hem) in het vuur was geworpen[8] verwierf hij de eretitel “de boezemvriend van God”, Khalīlullāh.[9] Profeet Mozes (vrede zij met hem) doorstond onnoemelijk veel kwelling van de farao,[10] maar werd door God uitverkoren als gesprekspartner en draagt de naam Kalīmullāh, “degene tot wie God sprak”.[11] Profeet Jezus (vrede zij met hem) werd op de voet gevolgd door de schurken van zijn tijd, die hem wilden kruisigen. Hiertegenover stond dat hij werd geëerd met de naam Rūḥullāh, “de geest van God”,[12] en werd opgeheven tot Hem.[13]
De afgodendienaren van Mekka gunden de Trots van de Mensheid ﷺ met hun meedogenloze aanvallen geen moment van rust. Maar daar tegenover liet God hem tijdens zijn Hemelvaart (miʿrāj) in zijn stralend verlichte gestalte door de hogere sferen reizen.[14]
Sinds profeet Adam (vrede zij met hem) is er geen profeet geweest die niet te lijden had onder zijn volk. Zij hadden slechts één zorg, één missie: de mensen naar God roepen en de geheimen van Zijn goddelijkheid (ulūhiyya) en heerschappij (rubūbiyya) in de harten doen doorklinken – zonder er iets voor terug te verwachten. Hoewel hun inspanningen de diepste dankbaarheid en grenzeloos respect verdienden, was de werkelijkheid heel anders. Integendeel: zij werden door de schaamteloze tirannen van hun tijd bespot, aan allerlei kwellingen blootgesteld en gedwongen huis en haard te verlaten. Profeet Zacharias (vrede zij met hem) hebben zij zelfs doormidden gezaagd, en bovendien ook zijn zoon, profeet Yaḥyā (Johannes), vermoord.[15] Als hetgeen zij moesten doorstaan niet één persoon maar een heel volk had getroffen, zou het voldoende zijn geweest om dat volk ten onder te doen gaan. God heeft Zijn meest geliefde dienaren aan de zwaarste beproevingen onderworpen, en toen zij deze met waardigheid doorstonden, hen met de hoogste rangen geëerd.
Als jullie in de voetsporen van de profeten treden, kan wat hen overkwam ook jullie overkomen. Want zoals de Godsgezant ﷺ in zijn overleveringen aangeeft: de zwaarste beproevingen treffen de profeten, en daarna, in volgorde van rang, degenen die het meest op hen lijken.[16] Voor wie het pad van de waarheid bewandelt, heeft God – en Zijn Boodschapper – zulke beloften gedaan dat het de moeite niet waard is ook maar een zucht van verdriet te slaken, zelfs al zou de hele wereld ons ontglippen. Want wij zijn geschapen voor de eeuwigheid. Niets anders dan de eeuwigheid en de Eeuwige kan ons voldoening schenken. Tegenover de eeuwigheid stelt zelfs een aards bestaan van duizend of tweeduizend jaar niets voor. Bovendien – wij hebben nooit iets van de wereld begeerd; waarom zouden wij dan de pijn van verlies en gemis voelen als die ons ontvalt? Door wat ons bitter voorkomt maar in wezen Zijn liefdevolle tikken zijn, houdt God ons weg van deze vergankelijke wereld — die wij überhaupt niet najagen — en leidt Hij ons naar de werkelijke bestemming.
Dit is het pad dat we bewandelen. Als jullie bewust dit pad zijn ingeslagen, zullen jullie volharden. Godzijdank heb ik tot op heden niemand gezien die dit pad betrad en er spijt van kreeg. Voor wie zelfs beproevingen als een zoete drank weet te nippen, kan de weg van dienstbaarheid onmogelijk als bitter worden voorgesteld. Want zulke mensen hebben eenmaal de smaak en verrukkelijkheid ervan ervaren. Die vreugde is zo bedwelmend dat zij, in de woorden van de dichter Gedāʾī, zeggen:
Wie van dit water drinkt, in zijn hart gaat de zon op.
Het schenkt een eeuwig leven – hoe meer ik drink, hoe meer de dorst: geef water!
Kijk naar deze bedelaar, gevangen in de lokken van zijn Lief.
Zijn vinger in de honing van de liefde – hoe meer ik proef, hoe meer ik hunker: geef water!
Zij die op Gods weg nog geen muggensteek aan ontbering hebben ondergaan – de gemakzoekers, de laatkomers – kunnen dit niet begrijpen. Zij kunnen noch de vreugde van dienst aan het geloof en de Koran ervaren, noch beseffen ten koste van welke beproevingen onze verheven godsdienst ons heeft bereikt.
Wie lijdt en wie doet lijden
Overal waar mensen opkomen voor waarheid en rechtvaardigheid, hebben er altijd ook tirannen, dwalenden en verliezers tegenover hen gestaan. Overal waar toegewijde zielen met kennis en wijsheid de ogen van mensen probeerden te openen voor de waarheid, zijn er altijd ongelukkigen geweest die met hun macht en middelen probeerden hen het zwijgen op te leggen. In elk tijdperk hebben er centra bestaan die broeinesten van duisternis waren en duivelse ideeën voortbrachten – als men dat al ideeën mag noemen. Met demagogie, propaganda en machiavellistische methoden hebben zij ook brede massa’s misleid.
Daarnaast heeft het ook nooit ontbroken aan “zwijgende duivels” en pluimstrijkers die er zelfs met een paar woorden niet toe in staat waren hun stem te laten horen tegen het onrecht van de tirannen. Zij hebben geapplaudisseerd voor tirannen die engelachtige mensen als duivels probeerden af te schilderen, en hebben gepoogd het onrecht als redelijk, legitiem en rechtmatig voor te stellen. Maar God ziet alles, en de Edele Schrijvers[17] schrijven alles op. Wanneer men het graf betreedt, zal alles duidelijk worden – dan zal het kaf van het koren worden gescheiden.
Kortom, er zijn altijd mensen geweest die lijden en mensen die leed veroorzaken. Tirannen die door macht waren vergiftigd, hebben anderen in deze wereld doen lijden, maar daarmee ook hun eigen hiernamaals verwoest. Wanneer zij naar de andere zijde gaan, zullen zij troost zoeken in de kreten “yā laytanī, yā laytanī” (“was ik maar.. had ik maar..”)[18] maar daar zullen zulke verzuchtingen niet meer baten. Zij die in deze wereld leden, zijn daarentegen door de beproevingen en rampen die hen troffen, gestegen tot de hoogste rangen van volmaaktheid.
Laat ons daarom tegenover de tegenspoed die ons treft niet moedeloos worden en niet vervallen in wanhoop. Met Gods toestemming en genade zullen aan het einde van de weg degenen die vasthouden aan hun koers, die geduldig volharden en rechtop blijven staan, er als winnaar uitkomen. Deze afloop die zo ver weg lijkt, is in werkelijkheid zo dichtbij dat zij bij wijze van spreken vlak onder onze neus is.
Vergeet niet dat het onrecht dat wordt aangericht een zonsverduistering is – de zon laat zich niet doven. Wanneer de tijd daar is en de goddelijke wil zich in die richting openbaart, zal ook deze verduistering voorbijgaan en de zon vroeg of laat weer stralen met haar licht. Kijk liever of er tussen jullie hart en het Goddelijk Wezen een verduistering plaatsvindt. Vergeet niet: de werkelijk grote verduistering is die tussen het hart en de Zon der Zonnen – en tussen het hart en de Stralende Maan ﷺ.[19]
Tegenover al deze grimmigheid en ruwheid kunnen wij uiteraard verdriet voelen. De klappen die wij incasseren kunnen ons aan het wankelen brengen – wij zijn immers mens. Zelfs bij een sterke, eeuwenoude eik is een harde klap voelbaar tot in elke tak en blad. Waar het om gaat, is dat wij standvastig blijven; dat wij zonder onze hoop te verliezen, onder de huidige omstandigheden naar vermogen blijven doen wat er gedaan moet worden. Dat wij zonder iemand ook maar een haar te krenken onophoudelijk verder werken aan het kantwerk van ons hogere ideaal. Dat wij de dingen die wij gisteren deden om God en de Geest van de Meester der Schepselen ﷺ [20] tevreden te stellen, ook vandaag niet nalaten.
Na de winter komt de lente
Anderzijds: als wij onze koers weten te behouden, zullen de beproevingen die wij doormaken ons immuunsysteem versterken, ons ertoe aanzetten nieuwe strategieën te ontwikkelen en zullen nieuwe kansen zich voordoen. De onmenselijke behandeling die jullie ondergaan, zal buitenstaanders doen afvragen wie jullie eigenlijk zijn en jullie onder de loep nemen. Ze zullen jullie nauwlettend observeren en peilen hoe jullie werkelijk in elkaar zitten. En als jullie deze wereldwijde nieuwsgierigheid weten te benutten om jullie verhaal te vertellen, als jullie kunnen laten zien dat het ritme niet verstoord is en de hartslag regelmatig klopt, dan zal – wie weet – het werk dat jullie in dienstbaarheid verrichten een wereldwijde zaak worden en de blijde tijding van de Godsgezant ﷺ in vervulling gaan.
Kortom, al worden wij aan alle kanten door stromen meegesleurd, al worden de wegen die wij bewandelen onbegaanbaar, al verrijzen er steile bergen voor ons – wij zijn genoodzaakt alternatieve wegen en methoden te vinden en naar ons doel te blijven marcheren. Want onze Volmaakte Gids ﷺ deed het zo. Wat hij moest doorstaan, zou bergen hebben verbrijzeld als het op hen was neergekomen. Maar dat hij ooit “ach” heeft gezegd..? Ik kan het mij niet herinneren. Toen de Mekkanen niet naar hem luisterden, zocht hij andere mogelijkheden: hij probeerde zijn stem te laten horen in Ṭāʾif, in Abessinië, in Medina. Wanneer één deur voor hem werd gesloten, klopte hij aan bij de volgende – hij stond nooit stil. Hoewel zijn inspanningen om de waarheid te verkondigen met woeste reacties werden beantwoord, koesterde hij jegens niemand een gevoel van haat. Daarom bleef hij met liefde en mededogen zoeken naar harten die ontvankelijk waren voor de waarheid.
Sinds profeet Adam (vrede zij met hem) hebben de gebeurtenissen zich wellicht niet identiek, maar wel op vergelijkbare wijze voltrokken. God laat de dagen onder de mensen wisselen.[21] Elke nacht heeft een dageraad, elke winter een lente. Op een moment dat je het niet verwacht, is alle tegenspoed ten einde en is er opnieuw een lente aangebroken. Laat je daarom niet ontmoedigen wanneer de grond bedekt is met sneeuw en ijs, want daarop volgt altijd de lente. Al zouden alle onheilspellende stemmen samenkomen tot een groot koor en verklaren dat zij de lente niet toelaten – de Almachtige Kracht zal met Zijn verheven wil hun de mond snoeren en tóch de lente brengen. Na de lente komt de zomer, waarin rozen bloeien en nachtegalen zingen, met Gods toestemming en genade. Dan vluchten vleermuizen naar hun holen en dalen eksters af van de rozentakken en trekken ze zicht terug in hun schuilhoeken.
Gods macht reikt over alles. Laat ons eindigen met de woorden van Ibrahim Hakki (1703-1780) uit zijn Tefvīznāme:
Toont God Zijn wil, dan wordt de zwaarste last verlicht.
Hij schept de middelen en schenkt ze in één ogenblik.
[1] Koran 23:112-113.
[2] Koran 57:13-15.
[3] Ziya Paşa (1829-1880), Terkīb-i Bend, p. 8 (in: Tercī-i Bend ve Terkīb-i Bend, Ahmed Kamil, İstanbul 1928).
[4] Koran 38:44.
[5] Imām al-Shāfiʿī, Dīwān al-Imām al-Shāfiʿī, p. 97 (Sharikat Abī al-Arqam ibn Abī al-Arqam, Beyrut 1995).
[6] Koran 29:14-15; 54:8-16; 71:1-28.
[7] Zie: Koran 29:15; 7:64.
[8] Zie: Koran 21:68-71.
[9] Koran 4:125; Muslim, īmān 193; Tirmidhī, manāqib 1.
[10] Zie: Koran 28:3-43.
[11] Zie: Koran 4:164; Bukhārī, tawḥīd 2; Muslim, īmān 193.
[12] Zie: Bukhārī, tawḥīd 2; Muslim, īmān 193.
[13] Zie: Koran 4:157-158.
[14] Zie: Bediüzzaman Said Nursi, Sözler (De Woorden), p. 616 (“Het Eenendertigste Woord, Tweede Gelijkenis”).
[15] Yaḥyā ibn Sallām, Tafsīr Yaḥyā ibn Sallām, 1/117 (Dār al-Kutub al-ʿIlmiyya, red.: Dr. Hind Shalabī, Beyrut 2004).
[16] Bukhārī, marḍā 3 (hoofdstuktitel); Tirmidhī, zuhd 57; Ibn Māja, fitan 23; Dārimī, riqāq 67.
[17] Al-Kirām al-Kātibīn zijn de twee engelen die op de schouders van elk mens zitten en al zijn goede en slechte daden noteren. Zie Koran 82:10-12.
[18] Arabische kreet van wanhopig berouw. Mensen zullen dit op de Dag des Oordeels uiten, verlangend naar een tweede kans die er niet meer zal zijn (zie bijv. Koran 78:40)
[19] De zon is als lichtbron symbool voor God; de maan voor de profeet, die Gods licht weerspiegelt.
[20] Eretitel voor de Profeet Mohammed ﷺ die verwijst naar zijn centrale plaats in de schepping.
[21] Zie: Koran 3:140
